Doop van kinderen – Orde III
(Commissie Gereformeerde Liturgie, zomer 2009)
De voorganger leidt de doopbediening kort met eigen woorden in. Hij noemt daarbij de namen van de doopouders en de dopeling(en).
Jezus Christus heeft gesproken: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’
In de heilige doop verbindt God zijn Naam met onze naam. Wij allen delen in zonde, schuld en oordeel en wij kunnen alleen in Gods rijk komen als wij opnieuw geboren worden uit water en Geest.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Vader, geeft God ons het teken en zegel van het verbond van zijn genade. Wij mogen zijn kinderen zijn en erfgenamen van zijn belofte. Zo wil Hij altijd voor ons zorgen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon, verzekert Hij ons van de afwassing van al onze zonden door zijn bloed. Wij zijn met Christus gestorven en begraven. Zoals Hij uit de dood is opgewekt, zo zullen wij leven met Hem.
Als wij gedoopt worden in de naam van de heilige Geest, belooft de heilige Geest dat Hij bij ons wil wonen en dat Hij dagelijks ons leven wil vernieuwen.
In het verbond worden wij van onze kant opgeroepen om God te gehoorzamen, te vertrouwen en lief te hebben, voor altijd. We hoeven aan Gods genade niet te twijfelen want zijn verbond is een eeuwig verbond en zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
In deze geweldige belofte mogen ook onze kinderen delen, al begrijpen zij nu nog niet wat er met hen gebeurt. Ook de kinderen horen immers bij het verbond. Zo sprak de HERE God al tot Abraham: ‘Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen’.
Nu bent u als ouders geroepen om uw kinderen vertrouwd te maken met het geloof en hen bij de Heer te brengen.
Jezus sprak zelf: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.
Gij hebt door de verwoestende wateren
pleitend op uw grondeloze barmhartigheid,
in uw Zoon Jezus Christus inlijven,
opdat zij met Hem in zijn dood begraven worden
en met Hem mogen opstaan tot een nieuw leven;
geef hen waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde,
zich getroost het eigendom van Christus mogen weten
en in uw heerlijkheid zullen worden opgenomen.
De Apostolische Geloofsbelijdenis wordt voorgelezen, samen gezegd of gezongen:
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige,
Schepper des hemels en der aarde.
zijn eniggeboren Zoon, onze Heer,
die ontvangen is van de heilige Geest,
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven,
ten derde dage wederom opgestaan van de doden,
vanwaar Hij komen zal om te oordelen
Ik geloof een heilige, algemene, christelijke Kerk,
Nu u in dit geloof uw kinderen laat dopen, vraag ik u:
Gelooft u dat het evangelie van Gods genade in Jezus Christus, zoals dat in Gods Woord bekend is gemaakt en door de kerk in haar belijdenis is samengevat, het enige fundament van onze redding is?
Belijdt u dat deze kinderen, hoewel zij met ons delen in zonde, schuld en oordeel, in Christus geheiligd zijn, deel hebben aan Gods verbond en dat zij daarom behoren gedoopt te zijn?
Belooft u, ieder met de gaven die God u heeft gegeven, deze kinderen voor te gaan op de weg van de Heer opdat zij hun doop leren verstaan en zich verbonden zullen weten aan de gemeente van Christus?
N.N. (namen doopouders), wat is daarop uw antwoord?
N, ik doop je
en voorgaan in het volgen van Jezus Christus?
door het bloed van uw Zoon, Jezus Christus.
dat U ons als uw kinderen aanneemt
Maak door de werking van uw Woord en Geest
Wij bidden U dat onze kinderen in hun leven
de goede strijd van het geloof zullen strijden
Dit gebed kan, al naar gelang de plaats van de doopbediening in de dienst, overgaan in een gebed om de opening van de Schrift, of verbonden worden met dankgebed en voorbeden.
Deze orde voor de bediening van doop aan kleine kinderen sluit aan bij de orde zoals die is vastgelegd in Dienstboek (DB) II, p. 61, meer in het bijzonder p. 104-110. In het Dienstboek wordt onderscheid gemaakt tussen twee orden, I en II, waarin met name de plaats en de inhoud van de vragen verschillen. Deze orde verschilt in meer opzichten substantieel van deze beide en heeft daarom de aanduiding III gekregen. Zij bevat achtereenvolgens de onderdelen presentatie, onderwijzing, doopgebed, belijdenis, geloften, doop, verwelkoming en loflied.
Voor overwegingen ten aanzien van de plaats van de doopbediening in de kerkdienst kan men terecht in DB II, p. 59-60.
Voor een toelichting op de onderdelen van de orde zij in de eerste plaats verwezen naar DB II, p. 63-70. Hieronder zijn slechts de wezenlijke afwijkingen en aanvullingen opgenomen.
In de verschillende teksten is er vanuit gegaan dat er meer kinderen gedoopt worden. Als er één dopeling is, past de voorganger de bewoordingen uiteraard aan. Dat geldt ook voor situaties waarin er slechts één doopouder is.
Waar citaten uit de Bijbel zijn overgenomen, is gebruik gemaakt van de Nieuwe Bijbel Vertaling.
Behoudens het loflied aan het slot, zijn in de orde geen liederen opgenomen. De voorganger kan er echter voor kiezen op bepaalde plaatsen een passend lied in te voegen. Zie DB II, p. 172.
Anders dan in de Orden I en II begint Orde III met de eigenlijke presentatie. De voorganger leidt de doopbediening kort met eigen woorden in. Hij noemt daarbij de namen van de doopouders en de dopeling(en). Deze woorden gaan in Orde III aan de onderwijzing vooraf, omdat daarin de doopouders meer dan eens direct worden aangesproken. Dat vooronderstelt dat zij eerder in de dienst genoemd zijn. Voor concrete bewoordingen, zie DB II, p. 104-105.
De onderwijzing is een grondige bewerking van dooporde II uit het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk in ontwerp (1955), p. 50-52. Tevens zijn elementen terug te vinden uit dooporde II in het Gereformeerde Kerkboek (1969).
Naast de hier gepresenteerde onderwijzing past de onderwijzing uit DB II, p. 163-164 (De belofte van het verbond) goed in het taalveld van de orde. Dat geldt ook voor de onderwijzing op p. 164 (Gedoopt in de naam van de drie-enige God), alsmede voor de hertaling van het klassieke doopformulier, te vinden in DB II, p. 111-112. Daarnaast zou desgewenst gevarieerd kunnen worden met de teksten die te vinden zijn in DB II, p. 104 (Algemeen), en 165-166 (Gezegend in de Naam van de Heer), al dan niet met gebruikmaking van de daar voorgestelde responsies.
Als basis voor het doopgebed is gebruik gemaakt van het doopgebed zoals dat te vinden is in het Dienstboek (1955), p. 66. Dit gebed vertoont duidelijk trekken van het klassieke zondvloedgebed. Er is bewust voor gekozen het kort te houden. Desgewenst kunnen bij ‘N.N.’ de namen van de dopelingen worden ingevoegd.
Wie op deze plaats gebruik wil maken van de uitgebreidere klassieke versie van het zondvloedgebed, vindt dat in hertaalde vorm in DB II, p. 112-113, alsmede in een bewerkte vorm in DB II, p. 166-167 (Een heilzame zondvloed).
Andere varianten op het doopgebed zijn te vinden in DB II, p. 167-168 (Een overvloed van heil), p. 169 (Uit het water van nood en dood), p. 170 (De duif van de Jordaan).
Het Apostolicum is een wezenlijk onderdeel van de orde. De volgorde van de vragen sluit op het Apostolicum aan. In de eerste vraag wordt ingegaan op het geloof van de ouders. In de tweede komt de doop van het kind aan de orde, terwijl in de derde gevraagd wordt naar de opvoeding. Gepoogd is de kern van de vragen in het klassiek gereformeerde doopformulier opnieuw onder woorden te brengen. Eventueel zouden ook de klassieke vragen gesteld kunnen worden, bij voorkeur in een volgorde die aansluit bij het gebruik van het Apostolicum (zie voor de vragen DB II, p. 113).
Het Dienstboek (1955), p. 53, 3e kolom, biedt nog een andere mogelijkheid. De voorganger leest de Apostolische Geloofsbelijdenis en vraagt vervolgens: Geliefden in Jezus Christus, ik vraag u, of u uw kind in dit geloof wilt laten dopen, en zo wilt opvoeden dat het zijn doop leert verstaan?
Voor de doopformule, zie DB II, p. 110. Voor andere handelingen, zoals handoplegging of het aanbieden van een doopkaars, zie eveneens daar.
De tekst bij de verwelkoming is opgenomen als vraag, waarop de gemeente antwoordt. Wie er de voorkeur aan geeft het bij een oproep aan de gemeente te houden, kan de tekst eenvoudig aanpassen, door van ‘wilt’ ‘wil’ te maken.
Desgewenst kunnen bij de vraag aan de gemeente bij ‘N.N.’ de namen van de dopelingen worden genoemd.
De doop wordt besloten met een loflied. Voor suggesties, zie DB II, p. 172-175.
Het dankgebed is facultatief. De tekst is geïnspireerd door het dankgebed in het klassiek gereformeerde doopformulier.
